In 1610 nam de Verenigde Oost-Indische Compagnie uit Japan en Macao thee mee, die geleidelijk aan enorm populair werd bij de koninklijke families en de hogere stand. Holland begon tevens thee te verkopen aan Frankrijk, Duitsland, Noord-Amerika en Engeland. Men heeft nog geprobeerd om in de buurt van Haarlem enkele theeplantjes te laten groeien, maar aangezien er in Nederland geen geschikt klimaat ervoor heerst, wilde de theeheester er uiteraard niet gedijen. Daarom werd rond 1870 besloten om de theeplant in een warmere omgeving aan te planten, namelijk het Indonesische archipel (Indonesië, Java, Sumatra, Bali, Molukken). Ondertussen hadden ook de Engelsen theeplantages in India en Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka). Cutty SarkDe Schotse theeklipper 'Cutty Sark'
De beroemdste en snelste klipper die speciaal
werd gebouwd voor de Chinese theeroute.
Toen thee voor het eerst op de Europese markt verscheen, was het een extreem dure drank en door de zware belastingen werd de prijs nog verder opgedreven. Hij had dus een statussymbool en men serveerde hem daarom ook graag aan belangrijke gasten. Toen in de 18e eeuw de belastingen werden verlaagd, werd thee financieel bereikbaar voor het grote publiek. Nu hadden zowel Holland als Engeland hun eigen theeplantages, en omdat beide landen de markt wensten te overheersen, barste een hevige strijd los. Er werden speciale ranke en relatief kleine schepen gebouwd, die grote snelheden konden halen: klippers.

Deze werden doorgaans gebruikt voor handel in etenswaren en kleine goederen. Omdat thee het voornaamste handelsgoed was, stonden ze ook wel bekend als theeklippers. Er kwamen zelfs oorlogsschepen aan te pas om elkaars klippers aan te vallen. Dit alles om aan de groeiende vraag naar thee te voldoen. Er ontstonden klipperwedstrijden van China naar Londen, waarop vele weddenschappen werden afgesloten. Voor de thee die als eerste aankwam werd een hogere prijs betaald en de winnende bemanning kreeg een prijs toegekend.